
Hij wilde zijn vleugels ten hemel heffen, maar hij kon ze niet meer optillen. Hij rolde omver en bleef op zijn rug liggen. Ik ben heel vrolijk dacht hij. Ik tsjirp, ik dans, kijk maar… Maar niemand zag hoe hij daar in een kleine poel van tranen in het zonlicht lag.
“
| — | Toon tellegen |
kink, ich bi zoe duuzelig wie u kuuke.
op ze mestreechs. dèh. en murrige krieg ich un schpútje. erme ich.
plantjes, zei hij. gewoon plantjes. jij hebt toch ook plantjes op je kamer? ik geef ze tenminste geen ijsthee the drinken.
en ze waren allemaal zo lief. behalve die blonde wat haar armen over elkaar slaat maar de rest was allemaal zoooo lief.
ik denk dat er te weinig saaie mensen zijn. Er zouden meer saaie mensen gemaakt moeten worden met saaie hoofden die alles nuchter zouden zien en me daar in mee zouden slepen, constant verbeteren zoals ouders dat vroeger deden. je kunt daar geen boomhut bouwen kind dat breekt.
nu zijn er luchtkastelen in gedachten en ik kan er niet meer zo goed mee omgaan, omdat iedereen zomaar in mijn kindhoofd wroet




